TheaterKrant.nl 9-27-2013

 

Modern China through a lovely Ibsen-filter

Joost Ramaer

Published originally in Dutch, translated into English by the critic himself

 

★★★★☆

 

A boy lies on his back on stage. He cuts origami figures from a sheet of pink paper. A screen of white cloth separates him from his parents, who talk about him behind the screen. While acting, the actors are being filmed by a team of camera men. Their images appear live on a big screen above the stage. On the screen it seems as if the boy lies on the ground in front of his parents. The contrast between the film image and the setting on stage suggests that the talking parents only exist in the boy’s imagination. 

 

Ibsen In One Take is the fruit of a remarkable cooperation between the Chinese theatre director Wang Chong and the Norwegian stagewright Oda Fiskum. The show enjoyed its Dutch premiere during festival De Keuze (The Choice) of the Rotterdamse Schouwburg (the city theatre of Rotterdam). Wang and Fiskum distilled characters, themes and dialogues from all of Henrik Ibsen’s 27 plays into the life story of one modern Chinese man. We see him as a little boy, as a young man and at the end of his life. Ibsen In One Take has the form of a retrospective: old, ill and weakened, the man sees his life draw past him in a series of flashbacks. The last three words of the title refer to the filmed half of the show, shot live and in one sweeping take without a single interruption, let alone any editing. Of course, they also refer to the new jigsaw puzzle Wang and Fiskum have laid out of all those hundreds of little Ibsen-pieces. 

 

By combining film and acting Wang has doubled the space for his own imagination, and therefore also for ours. What we see on stage, continuously and simultaneously gets a different meaning on screen. Lovely is a scene early on in the play, when the man as a boy squats on the floor while his father scolds him. At first he shouts in the boy’s face. Then, suddenly, the boy changes position, but the father keeps scolding in the direction of the spot the boy has just left. On screen, however, they still seem to be looking each other in the eye. Normally it is the film director who edits separate scenes, shot at different places and times, into one fluid whole. In the scolding sequence Wang creates the separate scenes on stage – a lovely play with the laws of film and theatre. 

 

The story of the show is of all times. The man grows up at the mercy of his father’s inability to forge an emotional bond with his son. When he receives his colleagues from work at his home, the boy is wheeled out like a circus animal, to show off his feeble mastery of the recorder. The moment they have left, his father scolds him again: ‘You know I hate the sound of that thing!’ This upbringing leads unavoidably to a failed marriage – the man cannot give what his father withheld from him. His relationship stays childless. His wife wants to leave him, but cannot bring herself to take the leap. The man ends up alone in a hospital bed, terrorised by a rude nurse. A girl with coloured balloons appears, the symbolic messenger of the nearing end of his life. 

 

The emotional handicaps, the not-listening, the not-seeing, the indecisiveness of the characters – it is all painfully recognisable Ibsen. But with the help of his two dimensions, Wang also sculpts this material, just as recognisably, into present day China. Children who see their own way blocked by the ancient Chinese tradition that they should take care of their parents when they become old and needy. The economic necessity forcing them to work night and day, causing estrangement from their loved ones. 

 

The ultraquick changes of clothes and position by the actors, the camera men trucking around with their equipment: next to the show itself, the simple means with which Wang has created it are constantly in full view for the audience. That gives it a vulnerable quality, stirring and touching in equal measure. Ibsen In One Take is Von Trier’s Dogville on a shoestring budget. The only uneasy aspect is the music by Zhang Yuelong. It is very beautiful, but also very loud. 

 

The end is wonderful. The old man sees himself, and the other people he shared his life with, loom up one last time in circles of light. The moment he tries to hug them, they disappear in the darkness. White smoke envelops the stage. The circles of light merge into a path, allowing the old man to walk to his death. 

 

 

Modern China door een wonderschoon Ibsen-filter

Joost Ramaer

 

★★★★☆

 

Een jongen ligt op zijn rug op het toneel. Hij knipt origami-figuurtjes uit een roze vel papier. Een scherm van wit gaasdoek scheidt hem van zijn ouders, die daarachter over hem praten. Tijdens hun spel worden de acteurs gefilmd door een cameraploeg. Hun beelden verschijnen live op een groot scherm boven het toneel. Op het scherm lijkt het alsof de jongen op de grond ligt tegenover zijn ouders. Het contrast tussen toneel- en filmbeeld suggereert dat de pratende ouders alleen bestaan in de verbeelding van de jongen. 

 

Ibsen in one take is de vrucht van een bijzondere samenwerking tussen de Chinese regisseur Wang Chong en de Noorse schrijfster Oda Fiskum. De voorstelling beleefde zijn Nederlandse première tijdens Festival De Keuze van de Rotterdamse Schouwburg. Wang en Fiskum distilleerden personages, thema’s en dialogen uit alle 27 toneelstukken van Henrik Ibsen tot het levensverhaal van één moderne Chinese man. We zien hem als kleine jongen, als jongeman en aan het einde van zijn leven. Ibsen in one take is gemonteerd als een terugblik: oud, ziek en verzwakt ziet de man zijn leven in een serie flashbacks aan zich voorbij trekken. De drie laatste woorden van de titel verwijzen naar de filmhelft van de voorstelling, die live wordt opgenomen, achter elkaar door zonder onderbreking, laat staan montage. En ook, natuurlijk, naar de nieuwe puzzel die Wang en Fiskum hebben gelegd uit al die honderden stukjes Ibsen.

 

Door de combinatie van film en spel verdubbelt Wang de ruimte voor zijn eigen verbeelding, en daarmee ook voor die van ons. Wat we op het toneel zien, krijgt steeds en gelijktijdig een andere lading in zijn filmische weergave. Heel mooi is een scène aan het begin, wanneer de man als jongen op de grond zit en verschrikt opkijkt naar zijn vader die hem de huid volscheldt. Eerst doet hij dat recht in het gezicht van de jongen. Dan wisselt die ineens van plek, maar de vader blijft schelden in de richting van waar de jongen was. Op het doek blijven ze echter schijnbaar tegenover elkaar staan. Normaal gesproken is het de filmregisseur die aparte scènes, opgenomen op verschillende tijden en plaatsen, tot één vloeiend geheel monteert. In de scheldscène laat Wang de losse fragmenten ontstaan op het toneel – een fraai spel met de wetten van film en theater.

 

Het verhaal van de voorstelling is van alle tijden. De man groeit op als de speelbal van het onvermogen van zijn vader om een gevoelsband met zijn zoon aan te gaan. Krijgt pa zijn collega’s op bezoek, dan duwt hij de jongen naar voren als een prijsdier dat zijn armzalige kunstjes op de blokfluit mag vertonen. Zodra ze weer zijn vertrokken, krijgt hij de volle laag: ‘Je weet toch dat ik dat geluid niet kan uitstaan!’ Deze opvoeding leidt onvermijdelijk tot een mislukt huwelijk – de man kan zijn vrouw niet geven wat zijn vader hem onthield. De relatie blijft kinderloos; de vrouw wil bij hem weg, maar kan er maar niet toe komen daadwerkelijk te vertrekken. De man eindigt in een ziekenhuisbed, geterroriseerd door een botte verpleegster. Een meisje met gekleurde ballonnen kondigt zijn naderende einde aan.

 

De emotionele handicaps, het niet-luisteren, niet-zien en niet kunnen beslissen van de hoofdpersonen – het is allemaal herkenbaar pijnlijk Ibsen. Maar met hulp van zijn twee dimensies boetseert Wang uit dit materiaal ook, even herkenbaar, het China van nu. Kinderen die hun eigen weg geblokkeerd zien door de oude Chinese traditie dat zij voor hun ouders hebben te zorgen wanneer die oud en behoeftig zijn. Hun economische noodzaak dag en nacht te werken, waardoor zij vervreemd raken van hun geliefden.

 

De pijlsnelle scènewisselingen van de spelers, de cameramannen die met hun apparatuur rondsjouwen: behalve de voorstelling zelf ziet het publiek ook de eenvoudige middelen waarmee Wang die creëert. Dat geeft hem een even spannende als ontroerende kwetsbaarheid. Ibsen in one take is Von Triers Dogville op een slof en een ouwe voetbalschoen. Het enige wat wringt is de muziek van Zhang Yuelong. Die is heel mooi, maar ook wel heel luid.

 

Het einde is wonderschoon. De oude man ziet zichzelf en de anderen uit zijn leven voor een laatste keer opdoemen in kringen van licht. Op het moment dat hij ze wil omhelzen, verdwijnen ze in de duisternis. Witte rook neemt de scène in beslag. De lichtkringen voegen zich samen tot een pad waarover de oude de dood tegemoet loopt.